Oke, het IS even geleden dat ik iets heb gepost, maar dat komt omdat ik het echt MEGAdruk heb (gehad). Allereerst, ik ben van baan veranderd. Echt waar, ik werk niet meer in Leiden, sinds 1 februari werk ik bij het Techniek College Rotterdam (offiecieel bij Albeda en dan bij TCR gedetacheerd, maar dat terzijde). De reden kom ik later op.
Er zijn van die dingen waarvan je wéét dat je je er niet druk om zou moeten maken. Dingen waarvan je rationeel denkt: Anouk, waar gáát dit over? En toch gebeurt het. Iedere. Keer. Weer.
Iemand zegt één woord en mijn taalbrein slaat onmiddellijk alarm.
Uiwen.
Ja. UI-WEN.
Niet uien, met die keurige, bescheiden j-klank ertussen. Nee. Er wordt ineens een w tevoorschijn getoverd die daar naar mijn mening helemaal niets te zoeken heeft.
En ik kan daar dus niet tegen.
Niet een beetje. Niet: goh, grappig dat jij dat zo uitspreekt. Nee.
Het. Irriteert. Mij. MATELOOS.
Het is ook nooit alleen die ui
Want als het bij uiwen bleef, zou ik mezelf misschien nog kunnen toespreken. Maar helaas. Als je het eenmaal hoort, hoor je het overal.
Smeuïg wordt smeuwig.
Luier wordt luiwer.
En iedere keer gebeurt er iets in mijn hoofd. Alsof er ergens een klein rood lampje begint te knipperen:
W GEDETECTEERD. W HOORT HIER NIET. VERWIJDER W.
Het ergste is misschien nog wel dat de spreker zelf totaal niet lijkt te beseffen wat hij of zij heeft aangericht. Die praat gewoon vrolijk verder.
"Ik heb de uiwen alvast gesneden."
Pardon?
De wat heb je gesneden?
Ui-j-en. Uien. Er staat nergens een w. Niemand heeft een w uitgenodigd. Die w stond niet op de gastenlijst. En tóch heeft hij zichzelf naar binnen gewerkt en zit hij pontificaal midden in mijn ui.
Ja, ik weet dat taal verandert
Nu hoor ik de afgestudeerde taalkundigen onder ons al denken: uitspraakvariatie is normaal. Klanken beïnvloeden elkaar. Taal is voortdurend in beweging. Wat vandaag als afwijkend wordt ervaren, kan morgen volkomen normaal zijn.
Dat weet ik.
Sterker nog: als docent Nederlands zou ik daar een uitstekend verhaal over kunnen houden. Over uitspraakvarianten, glijklanken, taalverandering en het verschil tussen spelling en uitspraak.
Allemaal prachtig.
Maar dat rationele taalwetenschappelijke deel van mijn brein verlaat onmiddellijk het pand zodra iemand luiwer zegt.
Dan blijft alleen de taalirritatie over.
En het vervelende is…
Sinds ik me eraan erger, hoor ik het steeds vaker.
Dat is natuurlijk het noodlot van iedere taalirritatie. Eerst valt iets je één keer op. Daarna nog een keer. Vervolgens ga je erop letten en voor je het weet lijkt de halve Nederlandse bevolking collectief besloten te hebben om overal een w tussen te proppen.
Misschien deden mensen het altijd al.
Misschien hoorde ik het vroeger gewoon niet.
Wat een heerlijke tijd moet dat zijn geweest.
Een tijd waarin uien nog gewoon uien waren. Luiers gewoon luiers. En iets smeuïgs niet ineens smeuwig hoefde te zijn.
Heb ik hier last van?
Nou ja, last…
Ik functioneer nog.
Maar wanneer iemand tegenover mij zegt dat hij "de uiwen even gaat snijden", moet ik wel actief voorkomen dat ik antwoord:
"Prima. En als je klaar bent, mag je die W ook meteen weggooien."
Dus mocht je ooit met mij in gesprek zijn en zie je bij het woord luier ineens een kleine spiertrekking rond mijn oog: geen zorgen.
Ik heb je gehoord.
Of eigenlijk:
Ik heb vooral die W gehoord.
En die had daar niet moeten zijn.